Wie kan aantonen dat de aanwezigheid en de kracht van ledenorganisaties (coöperaties, vakbonden etc.) een positieve invloed hebben op ontwikkeling en democratisering?

Alexis de Tocqueville schreef in zijn 'Democracy in America (1835-1840) al hoe belangrijk het associativisme (het feit dat mensen zich verenigen in ledenorganisaties) was voor de ontwikkeling van de Verenigde Staten. Sindsdien is eigenlijk nooit door iemand serieus betoogd dat het feit dat mensen zich organiseren slecht is voor maatschappelijke ontwikkeling, groei en democratisering. Integendeel: de communis opinio is dat het bestaan van dergelijke organisaties deel uitmaakt van de 'checks and balances' die een noodzakelijke voorwaarde zijn voor inclusieve ontwikkeling. Zo kan men geen rapport van Wereldbank, FAO of IFAD tegenkomen waarin niet op gezette momenten benadrukt wordt hoe belangrijk boerenorganisaties en - coöperaties zijn voor ontwikkeling - en niet alleen op het platteland. Hoewel intuïtie en 'common sense' bovenstaand verbanden bijna onbetwistbaar maken ('samen staan we sterk'; organisaties zijn een natuurlijk platform voor debat en dus vooruitgang; organisaties maken specialisatie en arbeidsdeling mogelijk; enz.), ontbreekt hard bewijs, behalve in sommige specifieke contexten. We hebben, kortom, een Nederlandse Piketty nodig die het aandurft om met een grootse theoretische en historische greep en ondersteund door 'big data' het positieve causale verband tussen associativisme en ontwikkeling eens en voor altijd aan te tonen en te preciseren.