Welke rol speelde filantropie en liefdadigheid gedurende de twee eerste eeuwen van het Koninkrijk der Nederlanden?

De overheid trekt zich terug en wil steeds meer overlaten aan de participatiesamenleving. Maar kunnen maatschappelijke organisaties en individuele filantropie de terugtrekkende overheid vervangen? Hoe was dat voor dat er sprake was van een verzorgingsstaat? Wat werd wel 'gedekt' door filantropie en liefdadigheid, en wat niet? En hoe dacht men over die filantropie en liefdadigheid en hoe veranderde - als het al veranderde - het denken daarover in die twee eeuwen?