Welke individuele en institutionele factoren dragen bij aan het sociale welbevinden van mensen?

Iedereen streeft ernaar om gelukkig te worden. Daarbij komt dat samenlevingen waar veel mensen gelukkig zijn, ook als meer gewenst en prettig worden ervaren. Opmerkelijk genoeg staat empirisch onderzoek naar geluk en welbevinden nog in de kinderschoenen als we dit relateren aan de aandacht voor meer objectieve indicatoren van (fysieke) gezondheid. Een relevante vraag is daarom welke (combinaties van) individuele en institutionele factoren van belang zijn bij het bevorderen van sociaal welbevinden. De belangrijkste kwestie is of en in hoeverre het belang van individuele hulpbronnen (zoals opleiding, inkomen, religie) in alle contexten (communities, landen) hetzelfde effect heeft? Is een hoge opleiding in Nederland net zo belangrijk voor welbevinden als in Zuid-Afrika? Diverse onderzoekers (Wilkinson, Putnam) betogen dat hierbij concrete samenlevingskenmerken, zoals mate van inkomensongelijkheid, economische ontwikkeling, criminaliteit, democratie, en welvaartsarrangementen relevant zijn. In de kern handelt het om de kwestie of en in hoeverre (gemeentelijke, regionale of landelijke) overheden zich voor het individuele welbevinden van haar burgers kunnen/moeten inzetten.