Welke factoren belemmeren vernieuwende combinaties van functies in de groene ruimte?

Drie voorbeelden: (1) in NO-Friesland (tussen Damwoude en Veenwouden) liggen kansen voor landbouw op groeiend veen met gebruikmaking van biodiversiteit in natuurreservaten; hierbij kunnen wateropslag en CO2-opslag worden gecombineerd met exploitatie van nieuwe of 'ouderwetse' gewassen (riet, veenmos, zonnedauw, gagel, dophei e.a.) die o.a. biomassa, cellulose, medicijnen, geurstof, nectar leveren; als de veengroei stagneert kan het veen met bagger in grasland worden omgezet; dit zou roulerend moeten gebeuren rondom een natuurreservaat als biodiversiteitskern; hiervoor is wel startkapitaal en een brede planologische visie nodig; (2) in de Biesbosch zou grootschalige rietteelt in nieuwe geulen en overloopgebieden kansen bieden waterbeheersing met biomassaproductie en ruimte voor moerasvogels te combineren; hiervoor moet wel een vertrouwensrelatie tussen 3 partners (Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en landbouwers) tot stand worden gebracht; (3) in Zeeland is ontpoldering voorwaarde voor opslibbing die nieuwe, pathogeenvrije akkerbouwgrond oplevert (met tijdelijke natuur als tussenstadium), maar hiervoor moet het thema ontpoldering wel worden gedepolitiseerd, gededemoniseerd en gedepolariseerd.