Welke combinatie van indicatoren van biologische leeftijd, functionele geriatrische testen, metingen van lichamelijk en psychisch welbevinden is het meest geschikt om effectiviteit van preventieve en klinische interventies bij ouderen te monitoren?

Zowel in het klinisch ouderen onderzoek als in het fundamenteel onderzoek is behoefte aan meer universele biologische parameters aan de hand waarvan de veroudering kan worden gevolgd voorafgaand aan symptomen van ziekte of een diagnose (endofenotypen van veroudering). Daarnaast is gebleken dat chronologische of kalender leeftijd alleen geen geschikt uitgangspunt is voor behandelbeleid en is het noodzakelijk dat we op zoek gaan naar markers van fysiologische en functionele leeftijd voor schatting van het risico op ziekte, co-morbiditeit en mortaliteit (biomarkers voor classificatie), en voor het meten van de respons op preventieve interventies en behandeling in de kliniek (monitoring). Er zijn nieuwe methoden om de status van mensen te meten op een enkel (relevant) moment in het leven maar het is tevens van groot belang om meerdere metingen per persoon te kunnen doen en bekostigen, ambulante metingen te verrichten met name in onderzoek bij ouderen waarin de verandering als functie van de tijd de meeste informatie geeft, evenals de mate waarin de oudere adequaat kan reageren op een blootstelling (resilience) en de mate waarin de oudere ervaart dat preventie of interventie bijdraagt aan welbevinden.