Wat zijn de gevolgen van technologische ontwikkelingen op de werkgelegenheid in Nederland en hoe dienen sociale partners daarop te reageren?

De opmars van de robot zou volgens sommigen het perspectief op volledige werkgelegenheid, laat staan een krappe arbeidsmarkt, steeds verder naar de toekomst verschuiven. Een relatief nieuw aspect is, dat technologische ontwikkeling (i.h.b. robotisering) niet alleen laag geschoolde arbeid, maar ook steeds meer routinematige werkzaamheden van middelbaar geschoolden zou vervangen. Een en ander roept allerlei vragen op : - Welke technologische ontwikkelingen zijn van fundamentele invloed op de werkgelegenheid? - Welke nieuwe arbeidsrisico’s ontstaan hierdoor? - Welke nieuwe functies ontstaan, welke vaardigheden zijn daarvoor nodig? Daarnaast roepen deze ontwikkelingen een aantal vragen op voor sociale partners. Hoe dienen sociale partners hierop te reageren? Moeten zij zich opstellen als tegenstander van nieuwe technologie? Moet ze een selectieve houding daarin aannemen? Moet ze zich richten op flankerend (sociaal) beleid: sociale innovatie naast technologische innovatie? Is scholing de beste aanpak. In hoeverre vereisen deze ontwikkelingen de invoering van arbeidstijdverkorting of de invoering van een basisinkomen?