Wat moeten we verstaan onder behoorlijke digitale opsporing van strafbare feiten?

Opsporing van strafbare feiten door politie en het Openbaar Ministerie is sterk gereguleerd. De wetgever en de rechter bepalen in onze rechtsstaat wat men in de fase van opsporing wél en niet mag doen. Men kan spreken van 'beginselen van een behoorlijke opsporing'. Als gevolg van de nieuwe digitale mogelijkheden hebben criminelen andere middelen tot hun beschikking om strafbare feiten te plegen. Politie en OM hebben hun handen vol aan het bijbenen van deze ontwikkelingen. Daarbij is niet altijd duidelijk wat zij wél en wat zij niet mogen doen. Gelden de 'beginselen van een behoorlijke opsporing' nog wel in het digitale tijdperk, moeten zij worden aangepast of op een nieuwe manier worden geïnterpreteerd? Aan welke rechtststatelijke eisen moet digitale opsporing voldoen? Wat zijn, met andere woorden, 'beginselen van een behoorlijke digitale opsporing'?