Wat ligt er aan de grens van de Kwantummechanica?

Kwantummechanica is de meest succesvolle theorie van de moderne natuurkunde. Geen enkele technologie waar onze tegenwoordige maatschappij op draait kan zonder kwantummechanica. Maar net als alle natuurkundige theorieën, is ook de kwantummechanica een benadering van de werkelijkheid. Een benadering met een ontzagwekkend groot toepassingsgebied, maar desalniettemin een benadering die zijn grenzen kent. Schrodinger's vergelijking biedt bijvoorbeeld geen nuttige beschrijving van voetballen en sterrenstelsels (om goede en, op zijn minst gedeeltelijk, bekende redenen). Waar precies de overgang ligt tussen de kwantummechanica van atomen en molekulen, en de klassieke mechanica van voetballen en sterrenstelsels is grotendeels onbekend. Op dit moment vormen Nederlandse wetenschappers de wereldwijde voorhoede in zowel een aantal theoretische (Amsterdam, Leiden en Nijmegen) als een aantal experimentele (Delft en Leiden) pogingen om de rand van de kwantummechanica te vinden en te verkennen. Dat zo'n grensgebied een vruchtbare plek is voor nieuwe, verrassende natuurkunde, weten we van voorbeelden uit het verleden. De overgang van Newton's geometrische optica naar de golftheorie van Maxwell bijvoorbeeld, herbergt het onverwachte fenomeen van boventallige regenbogen. Even onvermoede dingen schuilen zonder twijfel in het gebied tussen kwantum- en klassieke mechanica. Kwantummechanica is prachtig. Maar waar houdt het op? En wat staat ons te wachten in het grensgebied?