Wat kunnen representaties van mensen met handicaps ons vertellen over de sociale constructie van ‘disability’ in Nederland?

Van mensen met een handicap wordt vaak gedacht dat ze iets ‘missen’ (een ledemaat, gezichtsvermogen, cognitieve vaardigheden etc.). Tegelijk bestaat er de topos van de gehandicapte als zijnde bijzonder begaafd op andere gebieden – denk bijv. aan het stereotype van de blinde ziener. Volgens Rosemarie Garland-Thomson brengt de “gaze” waarmee mensen met een handicap worden bekeken ‘disability’ (beperking) als een sociale constructie voort; het exceptionele is juist het resultaat van een bijzondere manier van kijken. Op een vergelijkbare manier maken veel recente romans en films gebruik van personages met een ‘beperking’ als legitimatie en beginpunt van het vertellen van verhalen (denk bijvoorbeeld aan de autistische focalisator in Jonathan Safran Foers Extremely Loud and Incredibly Close, 2005). Tegelijk werpen deze werken ook een interessant licht op gangbare concepten van normaliteit en sociale uitsluitingsmechanismes die het fenomeen ‘disability’ laten ontstaan. De analyse van deze werken kan daarom helpen om de manieren waarop ‘disability’ in Westerse samenlevingen zoals de Nederlandse tegenwoordig betekenis krijgt beter te begrijpen. Daarmee kan dit onderzoek een bijdrage leveren aan het streven naar een meer inclusieve samenleving.