Waarom zijn mensen in Nederland rond 1970 anders gaan denken over de toekomst van de stad?

In de jaren zestig was de Nederlandse politiek in de ban van een explosieve bevolkingsgroei en een ongekende welvaartstoename. De wederopbouw van de jaren vijftig was voorbij. Overal verzetten gemeentebestuurders de bakens naar het magische jaar 2000. Samen met planologen, architecten en andere experts stonden zij voor de opgave om de binnensteden te faciliteren voor de vestiging en uitbreiding van kantoren, grootwinkelbedrijven en vooral het snel groeiende autogebruik. Om voorbereid te zijn op de toekomst lanceerden lokale overheden voor hun binnensteden grootschalige stadsvernieuwingsprojecten. Vanaf begin jaren zeventig kwamen monumentenbeschermers, buurtbewoners en krakers in verzet tegen de grootschalige stadsvernieuwing. Waarom deden zij dat, en waarom waren bestuurders zo snel geneigd naar hen te luisteren?