Waarom worden de vakgebieden AI en kennistechnologie niet als een fundamentele wetenschap beschouwd, maar als een cognitieve wetenschap?

In 1853 publiceerde de wiskundige George Boole “An Investigation of the Laws of Thought” (http://gutenberg.org/files/15114/15114-pdf.pdf), waarin hij een wetmatige relatie tussen taal en logische gedachten (redeneren, intelligentie) beschreef als algebra. Hij beschouwde hiermee taal en redeneren dus als een fundamentele wetenschap, dat logica en natuurwetten onderzoekt. Rond 1956 zijn de vakgebieden Kunstmatige Intelligentie (AI) en kennistechnologie ontstaan, dat als een cognitieve- of gedragswetenschap wordt beschouwd. Een gedragswetenschap modelleert een bepaald gedrag en heeft een gedragsmodel als resultaat. Maar intelligentie en taal zijn natuurfenomenen. En natuurfenomenen behoren onderzocht te worden vanuit de fundamentele wetenschap. Anders gezegd: Een gedragswetenschap levert een interpretatie van een natuurfenomeen, terwijl een fundamentele wetenschap natuurwetten levert waaraan het natuurfenomeen zich onderwerpt. Vandaar ook mijn vraag: Waarom worden de vakgebieden AI en kennistechnologie niet als een fundamentele wetenschap beschouwd, maar als een cognitieve- of gedragswetenschap? Als het iemand lukt om natuurwetten van intelligentie te definiëren (http://mafait.org/nutshell/), en om deze natuurwetten in software te implementeren (http://mafait.org/screenshots_reasoning/), moet het wetenschappelijke onderzoek van de afgelopen 60 jaar grotendeels overnieuw worden gedaan. Want dan behoren deze vakgebieden tot de fundamentele wetenschap i.p.v. de gedragswetenschap.