Onder welke voorwaarden kan men een religie als redelijk aanmerken?

Bij internationale samenwerking en beleidsvorming, en, algemener, in publiek debat is de tegenoverstelling van geloof en rede doorgaans belemmerend, zeker waar religieuze gesprekspartners deze tegenoverstelling niet herkennen. Groter wederzijds begrip kan ontstaan door expliciet te maken op grond waarvan een al dan niet religieuze gesprekspartner een religie, aspecten van of stromingen binnen een religie wel of niet als 'redelijk' beschouwt. Het onderzoek hiernaar kan bovendien inzicht vergroten in de oorzaken of mate van onveiligheidsgevoelens rond bepaalde religieuze of seculiere opvattingen of uitingen. De vraag naar de redelijkheid van religie vraagt allereerst een omschrijving van 'redelijkheid', en, voor de goede orde, van religie. Vervolgens draait het onderzoek om een inventarisatie van voorwaarden, factoren of criteria die (aspecten, stromingen van) een religie een meer of minder redelijk aanzien geven, enerzijds in de ogen van aanhangers, anderzijds in de ogen van diverse al dan niet religieuze groepen buitenstaanders.