Moet het strafrecht wel een rol spelen bij iets dat in wezen een sociaal-maatschappelijk fenomeen is, zoals de uitreizende en terugkerende jihadisten oftwel ‘Syriëgangers’?

De teruggekeerde Syriëganger Maher H. werd op 1 december 2014 tot 3 jaar cel veroordeeld door de rechtbank Den Haag voor onder andere ‘voorbereiding van moord en doodslag met terroristisch oogmerk’ in verband met zijn deelname aan de gewapende strijd in Syrië. Wat H. precies gedaan heeft in Syrië, blijf echter onduidelijk. Welke feiten hebben dan tot dit oordeel geleid? Via een relatief nieuw wetsartikel (art. 134a Sr) is het tegenwoordig mogelijk om meerdere vormen van voorbereiding van terroristische misdrijven al in een vroeg stadium aan te pakken, waardoor het bewijsrechtelijke probleem deels wordt omzeild, maar zetten we het strafrecht dan in als middel in de strijd tegen een sociaal-maatschappelijk fenomeen dat wellicht beter via andere wegen kan worden aangepakt? Om de vraag te beantwoorden is het nuttig om tevens te onderzoeken hoe andere landen en internationale instanties omgaan met de problematiek van een strafrechtelijke reactie in het kader van ‘foreign fighters’ die zich aansluiten bij terroristische groepen. Dit onderzoek kan door verschillende Nederlandse onderzoekscentra worden uitgevoerd, bijvoorbeeld: Center for Terrorism and Counterterrorism (Leiden), Center for International Criminal Justice (VU), Asser Instituut; eventueel in samenwerking met het Openbaar Ministerie en/of internationale organisaties zoals het International Centre for Counter-Terrorism (Den Haag).