Leren peuters van welbespraakte ouders sneller praten door het rijke taalaanbod van de ouders of door de gunstige 'taalgenen'?

Het is bekend dat kinderen uit gezinnen met een hogere sociaal-economische achtergrond meer en diverser taalaanbod krijgen. We weten ook dat deze kinderen een snellere en betere taalverwerving hebben dan kinderen die uit minder bevoorrechte gezinnen komen. De stelling is dat ouders kinderen meer taalaanbod moeten geven en dat zij een grote verantwoordelijkheid dragen voor de taalontwikkeling van hun kind.Kan het dus zo zijn dat de relatie tussen omgeving (taalaanbod van ouders) en de taalontwikkeling van kinderen slechts schijn is en eigenlijk het gevolg van een genetische verwantschap tussen ouder en kind? - Een verwantschap die gestalte krijgt doordat ouders met ‘betere’ taalgenen ook een rijker taalaanbod verschaffen aan hun kinderen met eveneens ‘betere’ taalgenen.