Kunnen we chroniciteit van psychische stoornissen voorkomen door preventie en vroege interventie?

Psychische stoornissen komen veel voor en zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijke ziektelast. Een recente studie uit het Noorden van het land liet bijvoorbeeld zien dat 22% van de adolescenten reeds een ernstige episode van een psychische stoornis mee gemaakt heeft, terwijl nog eens 23% een milde episode heeft doorgemaakt. Behandelingen van psychische stoornissen, zowel de medicamenteuze als de psychotherapeutische interventies zijn effectief. Toch is er een hoge mate van chroniciteit juist binnen de GGz, die gepaard gaat met hoge maatschappelijke uitval, hoge morbiditeit en voortijdige mortaliteit. Dit komt omdat wij mensen in een relatief laat stadium behandelen, pas als de stoornis zich volledig laat zien. Veel stoornissen hebben een periode van vijf tot tien jaar waarin vroege symptomen van ziekte voorkomen. In deze periode functioneren mensen nog redelijk en ervaren zij slechts milde of vage klachten, zoals afnemende sociale contacten, slaapproblemen, apathie, lichte cognitieve klachten of milde stemmings- of angstklachten en verminderd functioneren op school of werk. De hersenafwijkingen die ten grondslag liggen aan de ziekte zijn dan mogelijk nog plastisch en omkeerbaar. Het is belangrijk dat we ontdekken op welke vroege momenten in de ontwikkeling van een psychische stoornis we kunnen ingrijpen om ernstige klachten en chroniciteit te voorkomen.