Kan taalwetenschap ons helpen om literatuur beter te begrijpen?

De laatste jaren begint voor het eerst op verschillende plekken (in de wereld, en in Nederland) een voorzichtige samenwerking te ontstaan tussen twee ogenschijnlijk verwante maar in praktijk geisoleerde wetenschapsgebieden: taalwetenschap en literatuurwetenschap. Maar wat kan dit opleveren? Kan generatieve syntaxis iets zeggen over mogelijke zinsconstructies in poezie? Kan formele semantiek ons iets zeggen over de werking van "polyphonie" in vrije indirecte rede constructies (een literaire stijlfiguur waarin de grenzen tussen verteller en personage vervagen)? En kunnen we de empirische methoden van psycholinguistiek gebruiken om iets te zeggen over het verschil in betrokkenheid tussen verhalen in de eerste en in de derde persoon?

Bijbehorende clustervragen