In hoeverre was er in Nederland in de periode 1945-1950 sprake van een 'stilte' wat betreft de Jodenvervolging?

Het is algemeen bekend dat er binnen de Nederlandse herinneringscultuur zich een golfbeweging heeft voltrokken. In de begin jaren na de Tweede Wereldoorlog werd er niet tot nauwelijks gesproken over de Jodenvervolging en de dingen die zij meemaakten in de concentratiekampen. Pas vanaf de jaren '60 ontstond hiervoor vernieuwde aandacht. Toch zijn er wel degelijk Joodse kampgetuigenissen uitgegeven in de eerste 5 jaar na de oorlog: in hoeverre was er dan wel degelijk sprake van die stilte? Of gold die stilte niet voor literatuur? En als dat zo is, hoe verhoudt zich dat dan tot de stilte in de samenleving?