Hoe kunnen we vroeger en beter voorspellen of kinderen met een verhoogd risico op een taalontwikkelingsstroornis ook daadwerkelijk een taalontwikkelingsstoornis hebben?

We weten dat er bepaalde groepen kinderen, namelijk prematuren (te vroeg geboren kinderen) en kinderen met een spraakstoornis een verhoogd risico hebben op het krijgen van een taalontwikkelingsstoornis. Echter, niet alle kinderen in deze groepen hebben uiteindelijk een taalontwikkelingsstoornis. Voor somminge kinderen worden initiële problemen ingehaald of blijven de problemen beperkt tot een spraakstoornis. De vraag is nu hoe we vroeg en correct kunnen identificeren welke kinderen wel een taalontwikkelingsstoornis hebben en welke niet. Tot nu toe is er vooral onderzoek gedaan naar de taalproductie van deze groepen kinderen, maar om tot een vroege identificatie taalproblemen te komen, moet juist de spraakperceptie en het taalbegrip van deze kinderen onderzocht worden. Onderzoek naar dit aspect van de taalontwikkeling zal bijdragen aan een vroegere en betere indentificatie van kinderen die op latere leeftijd te maken zullen krijgen met een taalontwikkelingsstoornis en dit biedt kansen voor vroege interventie.