Hoe kunnen we ervoor zorgen dat bevolkingsgroepen die oorspronkelijk uit andere delen van de wereld komen net zo gezond zijn als de Nederlander van autochtone afkomst?

In Nederland wonen op dit moment ruim 3 miljoen mensen die oorspronkelijk uit andere landen afkomstig zijn. De grootste groepen zijn zij met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse achtergrond. De helft van hen is zelf gemigreerd, de andere helft is hier geboren uit ouders die gemigreerd zijn. Veel ziekten en gezondheidsproblemen komen onder die groepen meer voor dan onder de bevolking van autochtone afkomst. Zo is het risico op suikerziekte in de meeste groepen verhoogd, tot 4-5 keer hoger onder de Hindoestaans Surinaamse bevolking; de risico’s op hoge bloeddruk bij mensen met een donkere huidskleur zijn van dezelfde orde van grootte. Die hogere risico’s kunnen maar voor een deel verklaard worden door de lagere sociaal-economische positie van deze bevolkingsgroepen. Het is bovendien te simpel om te denken dat gezondheidsachterstand van deze bevolkingsgroepen zich vanzelf zal oplossen, bijvoorbeeld onder invloed van een toenemende integratie. Zo is ook op jonge leeftijd een achterstand in gezondheid zichtbaar, soms zelfs nog sterker dan bij de oudere bevolking. Daarmee is een belangrijke, en nog nauwelijks onderzochte wetenschappelijke vraag hoe het komt dat bevolkingsgroepen van niet-westerse afkomst meer problemen met hun gezondheid ontwikkelen, en hoe we dit in de toekomst kunnen voorkomen.