Hoe kunnen we de patiënten die chronische pijn aan het bewegingsapparaat ontwikkelen vroeg herkennen?

Nekpijn, rugpijn, kniepijn en schouderpijn behoren tot de meestvoorkomende pijnklachten in de huisartsenpraktijk. Deze klachten aan het bewegingsapparaat kunnen mensen erg beperken in het dagelijks leven en kunnen een chronisch beloop ontwikkelen. (Tijdens de KAB-studie 1998 raporteerde meer dan 20% van de bevolking chronische lage rugklachten.) Fysiotherapie en pijnstilling zijn veel toegepaste behandelingen bij de huisarts voor deze klachten en een deel van de patienten wordt verwezen. Al deze interventies zijn kostbaar, maar toch houdt een deel van de patienten klachten. Met alle gevolgen van dien. Niet alleen hebben deze mensen zorg nodig voor hun pijn, maar hebben ook meer kans op het ontwikkelen van andere gezondheidsproblemen, bijvoorbeeld overgewicht door minder bewegen als gevolg van de pijn. Uiteindelijk komen bijna alle patienten met chronische klachten aan het bewegingsapparaat terecht bij de huisarts. Er is daarom veel aandacht voor de gevolgen van deze problemen. Maar kan de huisarts al vroeger herkennen welke patienten mogelijk chronische klachten van het bewegingsapparaat zullen ontwikkelen? Welke factoren bepalen dat dit gebeurt? Speelt er mogelijk andere pathofysiologie voor de pijn bij een bepaalde groep patienten? Of moet de huisarts een bepaalde subgroep van patienten in de vroege fase al anders behandelen dan nu wordt gedacht?