Hoe komt men aan het model van het universum, terwijl de sterren ver weg allang zijn vergaan?

Lichtjaren ver weg staan die sterren. We hebben begrepen dat we terugkijken in de tijd. Op zeker ogenblik echter is de tijd die het licht er over gedaan heeft langer dan de leeftijd die de betreffende ster (theoretisch) kon halen. We zien dus wel het licht, maar die ster bestaat niet meer. Hoe komt de wetenschap dan toch tot een model van het universum, een ‘drie-lamellen plaatje’ van sterren? De meeste daarvan bestaan immers niet meer? Dan is er toch ook niets te zeggen over wat daar op dit moment nog is? Is er al een theorie die een verklaring geeft waarom de totale sterrenhoop van sterrenstelsels niet rond van vorm is? Als al die oude sterren zijn vergaan, waarom scheren er dan niet continue brokstukken daarvan door ons zonnestelsel? De hoeveelheid materie uit oude vergane sterren immers moet veel groter zijn dan de materie die op dit moment wel bestaat. De kosmos is al gevaarlijk, maar zou volgens deze analyse nog veel gevaarlijker moeten zijn. Toch zijn vrijwel alle incidentele brokstukken die rondscheren meest al jaren bekend en slaat er nauwelijks een in op aarde. Dat zou volgens mij niet kunnen, ondanks dat zwarte gaten het meeste puin opslokken.