Hoe kan in de relatie EU-lidstaten een zo optimaal mogelijke mix van regulering en handhaving van beleid gestalte krijgen, vanuit het perspectief van zowel effectiviteit als bescherming van kernwaarden?

In het huidige politiek-maatschappelijke debat wordt de relatie tussen de Unie en de lidstaten vooral gepercipieerd in termen van machtsverhoudingen. Het beeld dat daarbij vaak rijst, is dat van tegengestelde belangen van de Unie en de lidstaten, van Brusselse dictaten en sluipende Europese bevoegdheden ten koste van nationale soevereiniteit. Een meer wetenschappelijk gefundeerde benadering van de relatie EU-lidstaten vertrekt niet vanuit een dergelijke antithese, maar vanuit de veronderstelling dat we niet met twee separate bestuurslagen te maken hebben maar met een geintegreerde beleidscyclus. Zowel wat de voorbereiding van Europese wet- en regelgeving betreft, het besluitvormingsproces zelf en vervolgens de implementatie, toepassing en handhaving ervan in de lidstaten, is er sprake van een samenspel en gedeelde verantwoordelijkheid van Europese en nationale instituties. De leidende vraag is dan niet hoe bevoegdheden zijn verdeeld tussen de EU en de lidstaten, maar hoe de mix van gedeelde regulering en handhaving op verschillende beleidsterreinen eruit ziet en hoe die idealiter eruit zou zien: wat is een zo optimaal mogelijke mix vanuit zowel het perspectief van realisering van beleidsdoelstellingen (effectiviteit) als bescherming van (andere) publieke belangen en fundamentele rechten en beginselen (kernwaarden)? Dit vereist onderzoek dat bouwt op inzichten uit m.n. het recht, economie, politieke wetenschappen.