Hoe kan het zelfregulerend vermogen van ondernemingen en NGO's worden geoptimaliseerd, met oog op een zowel effectieve als verantwoorde bijdrage aan Europese beleidsdoelstellingen?

De EU beoogt niet alleen een beleid van minder en betere wetgeving te realiseren, maar ook van 'smart regulation'. Dat impliceert de ontwikkeling van een beleid waarin wordt gezocht naar een zo optimaal mogelijk mix van instrumenten. Daarbij dienen niet alleen overheidsinstrumenten in aanmerking te worden genomen, maar ook allerlei alternatieven voor wetgeving. Dat roept de vraag op naar de rol die ondernemingen en NGO's (en het maatschappelijk middenveld in meer algemene zin) zelf kunnen spelen in regulering en handhaving, ter realisering van Europese beleidsdoelstellingen. Hoe kan het regelgevende en handhavingspotentieel van dergelijke private actoren in de Europese context worden geoptimaliseerd, vanuit het perspectief van zowel een verantwoorde als effectieve bijdrage daaraan? Wat zijn de constitutionele grenzen die daarbij in acht moet worden genomen, zonder dat dit ten koste gaat van de effectiviteit van privaat optreden? Die vragen rijzen in het bijzonder ook ten aanzien van technologisch innovatieve terreinen waarop in EU en internationaal verband maar moeilijk overheidsregulering tot stand komt, bijvoorbeeld vanwege wetenschappelijke onzekerheid over veiligheids- en gezondheidsrisico's en uiteenlopende standaarden. Private actoren moeten dan soms noodgedwongen zelf normen ontwikkelen en handhaven. Dit vergt nader onderzoek met name vanuit het recht, economie en politieke wetenschappen.