Hoe interageren genetische en omgevingsfactoren in het ontstaan van een taalontwikkelingsstoornis?

Naar schatting 5-7% van alle kinderen wordt geboren met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), die niet te herleiden is tot neurologische, psychologische of sociale problemen of gebreken. Zulke kinderen blijven hun hele leven taalmoeilijkheden houden, met negatieve gevolgen voor de schoolcarrière, de sociale ontplooiing en maatschappelijke participatie. We weten dat er genetische risicofactoren zijn voor TOS. Er zijn aanwijzingen dat ook omgevingsfactoren een rol spelen, zoals de kwantiteit en kwaliteit van het taalaanbod in de dagelijkse communicatie met een kind. De wisselwerking tussen genetische aanleg en omgeving is nog grotendeels onbekend. Zou een omgevingsmanipulatie, bijvoorbeeld een overdadig aanbod van taal, een genetisch risico kunnen neutraliseren?