Hoe en in welke omstandigheden kunnen gedragsgerichte instrumenten eraan bijdragen dat de overheid in haar handelen binnen de kaders van de democratische rechtsstaat blijft?

De neiging van de overheid om de grenzen van haar bevoegdheden op te zoeken en de neiging om specifieke belangen te laten prevaleren boven het algemeen belang blijken hardnekkig te zijn. Bij het bewerkstelligen van overheidshandelen in de geest van de rechtsstaat kan het publiekrecht wel wat hulp gebruiken vanuit de gedragswetenschappen. In materiële rechtsgebieden, zoals het milieurecht of het financiële recht, wordt al regelmatig op implementatie- en nalevingsproblemen gereageerd met de inzet van alternatieve reguleringsinstrumenten. De mogelijke bijdrage die inzichten uit de gedragswetenschappen, zoals gedragseconomie en sociale psychologie hieraan kunnen leveren, heeft zich al vertaald in de oprichting van ‘nudge units’, die proberen collega-overheden te helpen gedragswetenschappelijke inzichten in beleid te vertalen. Zo heeft wat we geloven dat anderen doen een krachtige invloed heeft op ons eigen gedrag. Dit geldt vooral als we hen zien als peers, als gelijken. Informatie over of aansporing door peers kan dus worden aangewend om mensen tot naleving te bewegen. Zouden we ook niet slecht overheidsgedrag, dat te weinig boodschap heeft aan een abstracte erkenning van de rechtsstaat en ook niet aan verdere juridisering, kunnen aanpakken door gerichte, evidence-based inzet van gedragsgerichte instrumenten zoals ‘naming & shaming’ en 'peer review'?