Hoe dragen instituties bij aan (het waarborgen van) de legitimiteit van de democratische rechtsstaat?

Het goed functioneren van de (Nederlandse) democratische rechtsstaat kan niet zonder een zekere mate van legitimiteit van de daarin genomen (politieke) beslissingen. Die legitimiteit staat onder druk. Niet alleen is in verschillende (Europese) landen het vertrouwen in politici en/of politieke instituties gedaald, steeds vaker worden vragen gesteld bij de legitimatie van de politiek via representatieve instituties. Politieke legitimatie via de stembus zou de laatste decennia zijn 'gedesacraliseerd'; ook de ondersteunende bureaucratie zou in hoge mate zijn 'gedelegitimiseerd'. Bovendien bestaat er, mede onder invloed van de Europese samenwerking, een ontwikkeling naar zogeheten 'non-majoritarian' (of 'nonelective') instituties: instellingen die belangrijke politieke besluiten nemen, zonder een (direct) mandaat van de kiezer (voorbeeld: de Europese Centrale Bank). Dat roept (sub)vragen op als: In hoeverre is er inderdaad sprake van verminderde politieke legitimiteit via het proces van verkiezingen? Zijn er andere manieren mogelijk om 'namens de samenleving te spreken'? Op grond van welke legitimiteit opereren de 'non-majoritarian' instituties? Zijn er lessen te trekken uit het verleden, bijvoorbeeld uit de periode vóórdat het algemeen kiesrecht werd ingevoerd: wat was toen de basis van politieke legitimiteit? Wanneer en waardoor ontstaan legitimiteitscrises? Zijn andere definities van legitimiteit nodig? Hoe kan de spanning tussen democratie en rechtsstaat worden verminderd?