De vraag om het Nederlands slavernijverleden in de Oost systematisch te onderzoeken vanaf circa 1600 tot circa 1900. Dat deel van het Nederlands slavernijverleden te plaatsen in de brede context van slavernijsystemen.

Slavernij in de Oost Het vak geschiedenis in het basis- en voortgezet onderwijs benoemt de slavernij: “plantagekoloniën en transatlantische slavenhandel als basis van de Europese overheersing en de opkomst van de beweging tegen de slavernij (abolitionisme)”. Hier ontbreekt de Oost: de VOC (1602-1800) en Nederlands-Indië (na 1800). De meeste wetenschappelijk onderzoeken in de afgelopen 50 jaar over het Nederlands slavernijverleden behelsden de WIC. In de afgelopen jaren wordt op beperkte schaal het slavernijverleden van de VOC onderzocht. Langzaam aan wordt duidelijk dat er in de gebieden van de VOC mogelijk meer slaven waren dan in die van de WIC. De inzet van slaven in de steden en gewesten van de VOC was echter meer divers dan in de West. Deelstudies hebben dit aan het licht gebracht, maar een integraal overzicht ontbreekt. Dat integrale overzicht ontbreekt ook voor de 19e eeuw, toen het verschijnsel in de onder direct Nederlands bestuur staande gebieden sterk afnam. In 1860 werd de slavernij formeel afgeschaft. In de niet-direct bestuurde gebieden waren er toen nog wel slaven, die in het kader van een algemeen ‘beschavingsoffensief’ door de Nederlandse overheid toen niet langer wenselijk werden geacht.