“Hoe kan bestuur op natie-overstijgend niveau zowel doeltreffend als legitiem zijn of worden?”

Op veel beleidsterreinen worden bestuurlijke taken van nationale staten in toenemende mate gedeeld met transnationale organen, publieke zowel als particuliere. De uitbreiding van de regelgeving van de Europese Unie blijft het meest vergaande voorbeeld van dit proces. Maar ook organisaties als de WTO, de Verenigde Naties, de Raad voor financiële stabiliteit en het Internationaal Strafhof spelen steeds grotere rollen op tal van gebieden, van handel en financiën tot vredeshandhaving en milieubescherming. Veel niet-gouvernementele actoren, van ondernemersorganisaties tot ngo's, zijn eveneens betrokken bij natie-overstijgend bestuur. De toenemende vormen en uitdijende reikwijdte van transnationaal bestuur doen dringende vragen rijzen over de doeltreffendheid, verantwoording en legitimiteit ervan. Voor zover een nationale parlementaire regering nog steeds beschouwd wordt als de vanuit democratisch oogpunt meest legitieme bestuursvorm, maar ook als ijkpunt voor identiteit, kan de vraag ook worden omgedraaid: “Hoe autonoom en doeltreffend kunnen natiestaten zijn in een wereld waarin de onderlinge afhankelijkheid en meer-poligheid steeds verder toenemen?” Deze vragen lenen zich voor interdisciplinair en gezamenlijk onderzoek binnen de sociale wetenschappen, rechten en geesteswetenschappen. Gezien de bewezen track record van deze disciplines in het analyseren en verbeteren van natie-overstijgend bestuur, beloven ze veel vooruitgang in het begrijpen en verbeteren van de legitimiteit van zo’n bestuur.